FCI standaard
(juni 2009)
Classificatie: Groep I Herders- en
veedrijvershonden
Sectie I Herdershonden
KORT HISTORISCH OVERZICHT:
Hoewel er vele theorieën zijn over de oorsprong van de
Australian Shepherd, is het ras zoals wij dat heden ten dage
kennen uitsluitend ontwikkeld in de Verenigde Staten van
Amerika. De Australian Shepherd verkreeg zijn naam door de
associatie met de Baskische herders die in de negentiende
eeuw vanuit Australië naar de Verenigde Staten van Amerika
kwamen. De populariteit van de Australian Shepherd steeg
gestadig met de grote vlucht die het western horseback
riding nam na de Tweede Wereldoorlog, waarmee het grote
publiek kennis maakte via rodeo’s, paardenshows, films en
televisieshows. Hun inherente veelzijdigheid en leergierige
aard maakten hen van grote waarde op Amerikaanse farms en
ranches. De Amerikaanse veedrijvers ontwikkelden het ras
verder, hun veelzijdigheid, scherpzinnige intelligentie,
sterke drijfinstincten en hun opvallende uiterlijk bewarend,
die oorspronkelijk hun bewondering won.
Hoewel ieder individu uniek is in kleur en tekening, tonen
alle Australian Shepherds een onovertroffen aanhankelijkheid
aan hun gezinnen. Hun vele kenmerken hebben de Australian
Shepherds van voortdurende populariteit verzekerd.
ALGEMENE VERSCHIJNING:
De Australian Shepherd is goed in balans, iets langer dan
hoog, van middelmatige grootte en bone, in kleurpatronen die
variatie en individualiteit bieden. Hij is oplettend en
levendig, beweeglijk en lenig, stevig en gespierd, zonder
log te zijn. Zijn vacht is van gemiddelde lengte en
hardheid. Hij heeft een gecoupeerde of natuurlijke staart.
BELANGRIJKE VERHOUDINGEN:
Gemeten vanaf het borstbeen tot het zitbeen, en vanaf de
schoft tot aan de grond, is de Australian Shepherd iets
langer dan hoog.Solide gebouwd met middelmatig zwaar bone.
Bouw van de reu weerspiegelt mannelijkheid zonder grof te
lijken. Teven zien er vrouwelijk uit zonder licht van bone
te zijn.
GEDRAG/KARAKTER:
De Australian Shepherd is een intelligente werkhond met
sterke drijf- en hoedinstincten. Hij is een trouwe kameraad
en heeft het uithoudingsvermogen om de hele dag te werken.
Gelijkmatig van aard, vriendelijk en zelden uit op “ruzie”.
Bij een eerste ontmoeting kan hij enigszins gereserveerd
zijn.
HOOFD:
Het hoofd is strak belijnd, krachtig en droog. Algehele
grootte moet in verhouding zijn met het lichaam.
SCHEDELSTREEK:
Schedel:
De bovenkant is vlak tot licht gewelfd. Er mag een lichte
achterhoofdknobbel zijn. Lengte en breedte zijn gelijk.
Stop:
Middelmatige, goed aangeduide stop.
AANGEZICHTSSTREEK
Neus:
Blue-merles en blacks hebben zwart pigment op de neus (en
lippen). Red-merles en reds hebben leverkleurige (bruin)
pigment op de neus (en lippen).
Bij de merles zijn kleine roze vlekken op de neus toegestaan
maar deze mogen de 25% niet overschrijden bij honden ouder
dan één jaar, anders is dit een ernstige fout.
Voorsnuit:
De voorsnuit is even lang of iets korter dan de schedel.
Vanaf opzij gezien vormen de bovenbelijning van de schedel
en de voorsnuit parallelle vlakken, gescheiden door een
middelmatige, goed aangeduide stop. De voorsnuit versmalt
weinig van de basis naar de afgeronde neus.
Gebit:
Een volledig gebit met sterke witte tanden, dat een
schaargebit vormt. Een tanggebit is toegestaan.
Ogen:
Bruin, blauw, amber, of elke variatie of combinatie hiervan,
inclusief vlekken en marmering. Het oog is amandelvormig,
niet uitpuilend of diepliggend. De blue-merles en zwarten
hebben zwart pigment op de oogranden. De red-merles en roden
hebben leverkleurig (bruin) pigment op de oogranden.
Expressie: Oplettend en intelligent, alert en
geestdriftig. De oogopslag is levendig, maar vriendelijk.
Oren:
De oren zijn driehoekig, van gemiddelde grootte en dikte,
hoog aangezet op het hoofd.
Bij volle aandacht vallen zij naar voren of naar de zijkant
als een ‘rozenoor’.
HALS:
De hals is krachtig, van gemiddelde lengte, licht gebogen
vanaf de kruin en goed passend in de schouders.
LICHAAM:
Bovenbelijning:
De rug is recht en sterk, vlak en vast van de schoft tot aan
de heupgewrichten.
Kruis:
Licht aflopend.
Borst:
Niet breed maar diep waarbij het laagste punt de elleboog
bereikt.
STAART:
recht, van nature lang of van nature kort. Indien gecoupeerd
(in landen waar dit is toegestaan), mag deze niet langer dan
10 cm zijn.
LEDEMATEN:
VOORHAND:
Schouders:
De schouderbladen zijn lang en vlak, liggen bij de schoft
tamelijk dicht bij elkaar en liggen goed naar achteren. De
opperarm, die ongeveer dezelfde lengte moet hebben als het
schouderblad, vormt een bij benadering rechte hoek met de
schouderlijn waarbij de voorbenen loodrecht op de grond
staan.
Benen:
Recht en sterk. Met stevig bone, eerder ovaal dan rond.
Middenvoeten:
Van middelmatige lengte en zeer licht gebogen. De voorste
bijklauwen mogen worden verwijderd.
Voeten:
Ovaal van vorm, compact met dicht aaneen gesloten en goed
gewelfde tenen. De voetzolen zijn dik en veerkrachtig.
ACHTERHAND:
Algemeen voorkomen: de breedte van de achterhand is gelijk
aan die van de voorhand ter hoogte van de schouders.
De hoeking van het heupbeen en dijbeen correspondeert met de
hoeking van het schouderblad en opperarm, ze vormen een
nagenoeg haakse hoek.
Knieën:
Goed aangeduid.
Spronggewrichten:
Middelmatig gehoekt.
Middenvoeten:
Kort, staan loodrecht op de grond en parallel aan elkaar,
van achteren gezien. Geen Hubertusklauwen.
Voeten:
Ovaal, compact met dicht aangesloten en goed gewelfde tenen.
De voetzolen zijn dik en veerkrachtig.
GANGWERK:
De Australian Shepherd heeft een vloeiend, onbelemmerd en
soepel gangwerk. Hij toont grote soepelheid in zijn
bewegingen, met een evenwichtig en uitgrijpend gangwerk. De
voor- en achterbenen bewegen recht en parallel t.o.v. de
middenlijn van het lichaam. Wanneer de snelheid toeneemt,
komen de voeten (voor en achter) samen op de lijn die het
zwaartepunt volgt, terwijl de ruglijn vast en vlak blijft.
De Australian Shepherd moet wendbaar zijn en in staat om
direct van richting en gang te kunnen veranderen.
VACHT HAAR:
Van gemiddelde structuur, recht tot golvend, weerbestendig
en van gemiddelde lengte. De ondervacht varieert in dikte,
afhankelijk van het klimaat. Het haar is kort en glad op het
hoofd, de oren, de voorkant van de voorbenen en beneden de
hakken. De achterkant van de voorbenen en de broek
zijn middelmatig behaard. De kraag en halsbeharing zijn
middelmatig, meer uitgesproken aanwezig bij reuen dan bij
teven.
KLEUR:
Blue-merle, black, red-merle, red (alle met of zonder witte
aftekeningen en/of tan aftekeningen, zonder voorkeur voor
een bepaalde kleur. Een witte halskraag mag op de huid
gezien niet voorbij de toppen van de schouderbladen komen.
Wit is toegestaan op hals (zowel gedeeltelijk als volledige
kraag), borst, benen, onderkant van de snuit, bles op het
hoofd en een uitbreiding van het wit van de buikzijde naar
boven toe tot 10 cm. boven de horizontale lijn die uit de
elleboog getrokken kan worden. Wit aan het hoofd mag niet
overheersen en de ogen moeten volledig omringd zijn door
kleur en pigment. Typerend voor merles is dat zij donkerder
worden bij toenemende leeftijd.
GROOTTE:
De gewenste schofthoogte voor reuen is 51 – 58 cm. en voor
teven 46 – 53 cm. Kwaliteit mag niet opgeofferd worden ten
gunste van de maat.
FOUTEN:
Elke afwijking van de voorgaande punten moet worden
beschouwd als een fout en de beoordeling van de ernst van de
fout moet exact in verhouding staan tot de mate waarin de
fout zich voordoet of
invloed heeft op de gezondheid en/of welzijn van de hond.
ERNSTIGE FOUTEN:
-
Prik- en hangoren.
-
Niet typische vachten.
DISKWALIFICERENDE FOUTEN:
-
Agressief of overmatig schuw.
-
Ondervoorbeet. Bovenvoorbeet méér dan 3 mm. Te korte
middelste snijtanden die geen contact maken, in een
overigens correct gebit, zal niet als ondervoorbeet
worden beoordeeld. Gebroken of ontbrekende tanden door
een ongeval, zullen niet als fout worden bestraft.
-
Witte lichaamsvlekken bij alle kleuren, wat betekent:
wit op het lichaam tussen schoft en staart, aan beide
zijden tussen de ellebogen en de achterzijde van de
achterhand.
N.B. Reuen moeten twee normaal ontwikkelde, volledig in het
scrotum ingedaalde testikels bezitten.
|